zaterdag 31 augustus 2013

Harry Martinsons klokkenluider

Deze zomer waren we in Zweden bij vrienden op bezoek. Ik had voor de gastvrouw, de moeder van mijn vriendin, een exemplaar mee van mijn vertaling van Harry Martinson. Toen we over deze Zweedse dichter begonnen te praten, liep ze plots naar een andere kamer en kwam terug met een wat verfomfaaid blad papier, met daarop een gedicht van hem. "Waar haal je dit zo plots vandaan?" vroeg mijn vriendin, waarop haar moeder uitlegde dat ze vooral het beeld in de laatste strofe zo bijzonder vond.

Het gedicht gaat over een klein kevertje dat vaak op een bepaald soort bloem zit, het grasklokje, ook wel blauwklokje genoemd. Ik had nooit eerder acht geslagen op dit kleine bloempje, dat ook in ons land frequent voorkomt. Niet te verbazen dat Martinson dat wel deed. Toen hij in 1974 de Nobelprijs ontving, stond er op zijn diploma dat hij in zijn geschriften "de dauwdruppel vangt en de kosmos weerspiegelt". De dichter koesterde een heel intense liefde tot de natuur, en had zowel oog voor het piepkleine (de insecten tussen de grassprietjes, bezongen in tal van gedichten) als het oneindig grote (de sterren en planeten, o.a. beschreven in de science-fictionachtige ruimtecyclus "Aniara"). Die thematiek van "het grote in het kleine", samen met de impliciete kritiek op de vernietiging van de natuur door de mens, maakt van "De klokkenluider" een typisch Martinson-gedicht.

Jammer genoeg kan je het gedicht, afkomstig uit Martinsons late bundel "Dikter om ljus och mörker" (letterlijk vertaald "Gedichten over licht en donker") uit 1971, niet terugvinden in mijn bloemlezing met vertalingen. Ik deed alsnog een poging:

De Klokkenluider

In tijden van blauwklokjes
kan je
de schuchtere, zwartgeklede Klokkenluider zien
een klein torretje van de zevenendertigste familie, het geslacht van de 
snuitkevers.
Je ziet hem vaak zitten op het gladde klokkenkoord
waar het naar beneden leidt in de stengel van het klokje.

Zijn naam is Miarus.
Met een vergrootglas kan je hem groeten en dan knikt hij
maar begint niet te luiden voordat je de wei hebt verlaten,
maar dan luidt hij op vele plaatsen,
overal waar een wei klokjes kan hebben.

Er wordt gezegd dat als het grote
al begint in het kleine
hij bij de werelddood de klok zal luiden
op een vergiftigde weide.



Ik ging ook op zoek naar meer informatie over dit kevertje, inderdaad "Miarus campanulae" genoemd. In het Nederlands draagt hij de leuke naam "klokjessnuitkever". Op het internet vind je heel wat afbeeldingen van het beestje, gezeten op zijn geliefde blauwe klokje.




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen